-
1 collecteren
1 [inzamelen] collect, make a collection ⇒ 〈 in kerk〉 take the collection, 〈 onder de aanwezigen〉 take (up) a collection, 〈informeel; voornamelijk straatmuziek, demonstraties enz.〉 send the hat round2 [loten verkopen] sell lottery/raffle tickets♦voorbeelden: -
2 langs de huizen collecteren
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > langs de huizen collecteren
-
3 een huis leefbaar maken
een huis leefbaar makenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een huis leefbaar maken
-
4 leefbaar
♦voorbeelden:een huis leefbaar maken • make a house inhabitable -
5 trekken
1 [kracht uitoefenen op iets] pull3 [spierbewegingen maken] stretch4 [luchtstroom doorlaten] draw5 [in een richting getrokken worden] pull6 [lijken (op)] be like♦voorbeelden:aan een sigaar trekken • puff at/draw a cigarover een rivier trekken • cross a riverten strijde/te velde trekken • go into battlede kinderen trekken nogal naar hun vader • the children take more to their father2 [aantrekken] draw4 [gewichtheffen] snatch♦voorbeelden:2 publiek/kopers trekken • draw an audience/customersvolle zalen trekken • play to/draw full houses1 [in genoemde toestand/op genoemde plaats brengen] pull3 [naar zich toehalen, ook figuurlijk] draw4 [aftreksel maken van] make6 [doen ontstaan] draw7 [uit een plaats vandaan halen] get♦voorbeelden:iemand aan zijn haar trekken • pull someone's hairiemand aan zijn mouw trekken • pull (at) someone's sleeveeen horoscoop trekken • cast a horoscopelering trekken uit iets • learn (a lesson) from something〈 wiskunde〉 de wortel uit een getal trekken • find/extract the (square/cube/ 〈enz.〉 ) root of a number8 gezichten trekken • make/pull (silly) faces -
6 winst
1 [opbrengst boven de bestede kosten] profit ⇒ 〈 vaak meervoud, rendement〉 return, 〈 van bedrijf, ook〉 earning(s), 〈meervoud; speel/gokwinst〉 winning♦voorbeelden:ingehouden winsten • retained profits/earningsnetto winst • net/ 〈 Brits-Engels ook〉nett returns/gain/profitzuivere winst • clear profitwinst behalen/opleveren • gain/make/yield (a) profithet huis bracht winst op • the house realized a profitwinst slaan uit • make money out of, capitalize ontel uit je winst • it can't go wrong, Bob's your uncleer zit winst in • there's money in itmet winst verkopen • sell at a profitmet de winst gaan strijken • reap the profitop winst uit zijn • be out to make a profitop winst spelen • play to winop winst staan • be winningwinst uit onderneming • operating profits, profit from ordinary activities -
7 afbetalen
♦voorbeelden:2 ƒ100,- afbetalen voor de wagen • pay Dfl100 on account for the car, make a down payment of Dfl100 on the car -
8 kop
1 [deel van het dierlijk lichaam] head7 [afbeelding; iets met de gedaante van een kop] head8 [persoon] head9 [audio, video] head♦voorbeelden:kop dicht! • shut up!〈 figuurlijk〉 een houten kop hebben • have a hangover, have a thick headeen kale kop • a bald headzij is een kop kleiner dan hij • she's a head shorter than he iseen mooie kop met haar • a beautiful head of haireen rooie kop krijgen • go red, flushhou je kop! • shut up!, shut your trap!hij had zichzelf wel voor zijn kop kunnen slaan • he could have kicked himselfkop op! • chin/cheer up!〈 figuurlijk〉 op zijn kop krijgen • get a good scolding/telling-offje krijgt het niet al ga je op je kop staan • you're not going to get it no matter what you dozich voor de kop schieten • blow one's brains outzij kreeg een kop als vuur • she turned as red as a beetrootdat is een knappe kop • he is a smart fellowmet een kwaaie kop weglopen • leave in a huffiemand aan zijn kop zeuren • nag someonehij heeft het nu eenmaal in zijn kop • he has taken it into his headde kop van Overijssel • the north of Overijsselde kop van een spijker/hamer • the head of a nail/hammerde kop van een stoet/het peloton • the head of a procession/the platoon〈 sport〉 de kop nemen • take the lead, go into the leadop zijn kop staan • be topsy-turvy/upside downover de kop gaan/slaan • overturn, somersault〈 figuurlijk〉 over de kop gaan • go broke, foldeen kop en schotel • a cup and saucer6 grote/vette koppen • big/bold headlinesde koppen tellen • count headseen gerucht de kop indrukken • 〈 ook〉 squash/scotch a rumourde kop opsteken • surface, crop upde griep steekt weer de kop op • the flu is rearing its (ugly) head againiets op de kop (weten te) tikken • (manage to) pick something up, (manage to) get hold of something/come by somethinghet is vijf uur op de kop af • it is exactly five o'clock -
9 naam
♦voorbeelden:een man van naam • a man of repute/standingiemand met naam en toenaam noemen • mention someone by (his full) namede eigen naam • one's maiden namehet kan nadelig zijn voor zijn goede naam • it may harm his reputationeen goede/slechte naam hebben • have a good/bad reputation/namedaardoor heeft het beroep een slechte naam gekregen • this has given the profession a bad namezijn naam eer aandoen • live up to one's reputation/namede rol waarmee hij naam heeft gemaakt • the role that made his namedat mag geen naam hebben • that's not worth mentioningde naam hebben (van) rijk te zijn • be said to be richlaat mijn naam erbuiten • leave my name out of thiszijn hond luistert naar de naam Mao • his dog answers to (the name of) Maonaam maken • make a name for oneself (with/as)een collega wiens naam ik niet zal noemen • a colleague who shall remain namelesszijn naam ophouden • live up to one's name/reputationzijn naam ergens onder zetten • sign one's name to somethingde dingen bij de naam noemen • call a spade a spadehij is in naam eigenaar • he is nominally the owner/the owner in name (only)vrij op naam • no legal charges, no law costseen cheque uitschrijven op naam van • make out a cheque tozij heeft vier boeken op haar naam staan • she has four books to her namehet huis staat op zijn naam • the house is in his namete naam stellen van • put in the name often name van, op naam van • in the name ofuit mijn naam • from me, on my behalfiemand van naam kennen • know someone by namewat was uw naam ook weer? • what did you say your name was?de grote namen in het peloton • the big names among the packin naam der wet • in the name of the lawmet name • particularly, in particular -
10 voorstellen
1 [introduceren] introduce2 [opperen] suggest, propose♦voorbeelden:hij stelde zich voor als de nieuwe inspecteur • he introduced himself as the new inspectorwat moet dat voorstellen? • what does that/is that supposed to mean?de feiten mooier voorstellen dan ze zijn • make things out to be/things seem better than they really areiets schematisch voorstellen • represent something in a diagram, make a diagram of somethingII 〈wederkerend werkwoord; zich voorstellen〉2 [van plan zijn] propose♦voorbeelden:daar stel ik me weinig van voor • I don't imagine/expect much will come of thatdat kan ik me best voorstellen • I can imagine (that)stel je voor! • just imagine!2 ik stel mij voor u dat later uiteen te zetten • I intend/plan to explain that to you later -
11 werk
2 [plaats] work♦voorbeelden:het betere werk • the right thingzijn werk goed/slecht doen • make a good/bad job of one's workhet grote werk • the big jobgeen half werk doen • not stop at half measures, go the whole hogze houden hier niet van half werk • they don't do things by halves heredat is een heel werk • it's quite a joblos werk hebben • have a casual jobhet is onbegonnen werk • it's a hopeless taskpublieke werken • public workshet vuile werk opknappen (voor iemand) • do the dirty work (for someone)aangenomen werk • contract workeen nieuwe fabriek geeft werk aan 250 mensen • a new factory provides jobs/work for 250 people(vast) werk hebben • have a regular jobhet is zijn werk • it's his businesshij kan het werk niet aan • 〈 te zwaar〉 he isn't up to his work; 〈 te veel〉 he's up to the neck in workveel werk maken van de aankleding van zijn huis • take great pains over the furnishing of one's houseiemand werk opdragen • give someone a task(op school) werk opgeven • give an assignmentwerk zoeken • look for work/employment〈 figuurlijk〉 heb je altijd zo lang werk met het eten klaarmaken • do you always take so long preparing dinner/breakfast/ 〈enz.〉aan het werk gaan • set to workaan het werk houden • keep goingiedereen aan het werk! • everybody to their work!iemand aan het werk zetten • put someone to workhard aan het werk gaan • set to work at full tilt〈 figuurlijk〉 er is werk aan de winkel • there's work to be done, there's a lot to do/to be doneer is weinig werk in de bouw • work is slack in the building tradehoe gaat dat in z'n werk? • how is it done?werk in uitvoering • road workshoe is dat allemaal in zijn werk gegaan • how did it all come abouthet ging allemaal zo razendsnel in zijn werk • it was all such very quick workonder het werk mag er niet gerookt worden • smoking is forbidden at work/during working hourste werk stellen • employ, set to workheel behoedzaam te werk gaan • go very carefullyimpulsief te werk gaan, oneerlijk te werk gaan • act on impulse, act unfairlyieder ging op zijn eigen manier te werk • each took his/her own linezonder werk zitten • be out of work/unemployedniet op zijn werk komen • fail to turn up for work/dutywerk van iemand maken • play up to someonewerk van iets maken • do something about something; take action; 〈 sterker〉 put some work into something; 〈 klacht indienen〉 complain about somethingze wilden er geen werk van maken • they didn't want to take the matter in handalles in het werk stellen • make every effort to, strain every nerve (to), leave no stone unturneddat is geen werk • that's unfair -
12 wonen
1 live♦voorbeelden:1 groot/klein wonen • live in a big/small housevrij wonen hebben • live rent-freebij iemand wonen • stay/live with someone, make one's home with someoneop zichzelf gaan wonen • set up house, go and live on one's own -
13 eigen
eigen1〈 het〉 〈 figuurlijk〉1 [informeel; + bezittelijk voornaamwoord] myself, yourself, himself, herself, itself 〈 enkelvoud〉; ourselves, yourselves, themselves 〈 meervoud〉♦voorbeelden:1 ik dacht bij mijn eigen dat … • I was thinking to myself …op zijn eigen gaan wonen • start living on one's own————————eigen22 [uitgaand van iemand zelf] own3 [kenmerkend] typical, characteristic, individual4 [vertrouwd] familiar♦voorbeelden:voor eigen gebruik • for one's (own) private usemensen met een eigen huis • people who own their own houseiets in eigen kring vieren • celebrate something privatelywij hebben ieder een eigen (slaap)kamer • we have separate (bed)roomseigen weg • private roadhet waren haar eigen woorden • those were her very wordsbemoei je met je eigen zaken • mind your own businesseen geheel eigen stijl ontwikkelen • develop a style all one's ownmet de hem eigen bescheidenheid • with his characteristic modesty4 zich iets eigen maken • make oneself familiar with something; 〈 met betrekking tot taal〉 master, pick up; 〈 met betrekking tot gewoonte〉 pick up, fall into, acquireeigen producten • domestic products -
14 eten
eten1〈 het〉1 [voedsel] food♦voorbeelden:hij houdt van lekker eten • he is fond of good foodeten en drinken meenemen • bring along something to eat and drinkdat is geen eten • that isn't fit to eat2 koud eten • cold meal, lunchwarm eten • hot meal, dinnerhet eten is opgediend/klaar • dinner is served/readyhet eten laten staan • 〈 niet beginnen〉 leave one's food; 〈 niet helemaal opeten〉 not finish one's foodhet eten maken • make dinnerwijn bij het eten drinken • drink wine with a mealik ben niet thuis met het eten • I won't be home for dinneronder het eten • during meals/the meal, at dinner(time)nog een kik en je gaat zonder eten naar bed • one more word out of you and you'll be packed off to bed without your dinner————————eten21 eat♦voorbeelden:hij begon er direct van te eten • he fell tote veel/te weinig te eten geven • overfeed, underfeedhet is te eten /niet te eten • it's edible/inedible, it tastes OK/awfulwat eten we vandaag? • what's for dinner today?goed kunnen eten • have a good hearty appetiteje kunt hier lekker eten • they serve good food herelekker gegeten? • enjoyed your meal?eet smakelijk • enjoy your mealte veel eten • overeat (oneself)om op te eten zijn • be/look good enough to eateet ze • enjoy♦voorbeelden:1 blijf je (te) eten? • will you stay for dinner?wij zitten net te eten • we've just sat down to dinnerbuitenshuis/buiten de deur eten • eat/dine outthuis eten • eat iniemand te eten vragen • ask someone to dinneruit eten gaan • go out for dinneriemand uit eten nemen • take someone out to dinner1 [door eten verkrijgen] eat♦voorbeelden:zijn bord leeg eten • eat everything upzijn buikje rond eten • eat one's fillzich te barsten eten • eat till one is fit to burst -
15 grondig
♦voorbeelden:1 een grondige hekel aan iemand/iets hebben • loathe someone/something, dislike someone/something intenselyeen grondig onderzoek verrichten • make a thorough/searching examinationiets grondig bespreken • talk something out/througheen huis grondig doorzoeken • search a house thoroughlyiets grondig onderzoeken • examine something thoroughly, get to the bottom of somethingzich grondig voorbereiden • prepare oneself thoroughly -
16 jaloers
2 [met betrekking tot liefde] jealous (of)♦voorbeelden:1 iemand jaloers maken • make someone jealous/enviousJan was jaloers op de mooie tekening van Piet • Jan was jealous/envious of Piet's beautiful drawinghij heeft een huis waar iedereen jaloers op is • his house is the envy of the neighbourhood -
17 opbouw
-
18 schoonmaak
♦voorbeelden:schoonmaak houden • give (something) a thorough cleaning(druk) aan de schoonmaak zijn • be busy cleaning -
19 sfeer
1 [stemming] atmosphere3 [gebied op/rond de aarde] sphere4 [figuurlijk] [gebied] sphere♦voorbeelden:4 in hogere sferen zijn • have one's head in the clouds; 〈 ernstig ook〉 be sunk in reverie, be lost in thought -
20 thuis
thuis1〈 het〉♦voorbeelden:mijn thuis • my homebericht van thuis krijgen • receive news from homehet is bijna een tweede thuis • it's a home away from home————————thuis2〈 bijwoord〉1 [naar huis] home2 [in huis] at home♦voorbeelden:〈 figuurlijk〉 samen uit, samen thuis • we stick together, we're in this togetherwel thuis! • safe journey!vanmiddag ben ik thuis • I'll be at home this afternoonik ben voor niemand thuis • I'm not at home/in to/for anyonedoe maar of je thuis bent • make yourself at homeze doet thuis vertaalwerk • she takes in translationszich ergens thuis gaan voelen • settle down/inhij gaf niet thuis • 〈 niet meewerken〉 he wouldn't play ball; 〈 niet reageren〉 he appeared not to notice/not to hear (me), he didn't bite〈 sport〉 spelen we zondag thuis? • are we playing at home this Sunday?niemand thuis treffen • find nobody at homeiemand (bij zich) thuis uitnodigen • ask someone round/to one's housezich ergens thuis voelen • feel at home/ease somewherehij was niet thuis • he wasn't in/at home, he was outhij woont nog thuis • he's still living at homebij ons thuis • at our place, in our home, back homebij jou thuis • (over) at your place〈 figuurlijk〉 ergens in thuis raken • find one's feet, start to find/know one's way around in something〈 figuurlijk〉 in iets (goed) thuis zijn • be well up in/on something, be at home with/in/on something
- 1
- 2
См. также в других словарях:
make a House — Brit. secure the presence of enough members for a quorum or support in the House of Commons. → make … English new terms dictionary
keep (or make) a House — Brit. secure the presence of enough members for a quorum in the House of Commons. → house … English new terms dictionary
house-trained — adj BrE a pet animal that is house trained has been trained not to make the house dirty with its ↑urine and ↑faeces American Equivalent: housebroken >housetrain v [T] … Dictionary of contemporary English
house — n. & v. n. (pl.) 1 a a building for human habitation. b (attrib.) (of an animal) kept in, frequenting, or infesting houses (house cat; housefly). 2 a building for a special purpose (opera house; summer house). 3 a building for keeping animals or… … Useful english dictionary
House painter and decorator — A modern house painter A house painter and decorator is a tradesman responsible for the painting and decorating of buildings, and is also known as a decorator or house painter.[1][2] The purpose of painting is to mak … Wikipedia
make — v. & n. v. (past and past part. made) 1 tr. construct; create; form from parts or other substances (made a table; made it out of cardboard; made him a sweater). 2 tr. (foll. by to + infin.) cause or compel (a person etc.) to do something (make… … Useful english dictionary
House Wren — Taxobox name = House Wren image width = 200px image caption = Northern House Wren status = LC status system = iucn3.1 regnum = Animalia phylum = Chordata classis = Aves subclassis = Neornithes infraclassis = Neognathae superordo = Neoaves ordo =… … Wikipedia
make — verb (makes, making, made) 1》 form by putting parts together or combining substances. ↘(make something into) alter something so that it forms (something else). ↘arrange bedclothes tidily on (a bed) ready for use. ↘Electronics complete … English new terms dictionary
house — noun haʊs (plural houses haʊzɪz) 1》 a building for human habitation. ↘chiefly Scottish a dwelling that is one of several in a building. ↘a building in which animals live or in which things are kept. 2》 a building in which people meet for… … English new terms dictionary
House of Cosbys — Infobox Television show name = House of Cosbys caption = Intertitle genre = Science fiction creator = developer = presenter = starring = voices = Jeff Davis Justin Roiland narrated = theme music composer = Nick Haas, Matias Drago, Amy Metcalf,… … Wikipedia
house-trained — adjective BrE a pet that is house trained has been trained not to make the house dirty with its urine and faeces; housebroken AmE housetrain verb (T) … Longman dictionary of contemporary English